ederland kwam vanaf de Vroege IJzertijd (800-500 vC) tussen de invloedssferen van de Germanen en de Kelten te liggen.
De Kelten wisten als zouthandelaren en tussenpersonen in de handel van het Noordeuropese bont en barnsteen en de Zuideuropese wijn, uit te groeien tot het grootste handelsvolk ten noorden van de Alpen. Zij waren degenen die de kennis van het ijzerbewerken over Europa verspreidden.
IJzeren gebruiksvoorwerpen zijn veel geavanceerder dan bronzen doordat ijzer lichter is en minder broos. Bovendien kan ijzer beter geslepen worden.
Daarnaast werd
ijzererts
op veel meer plaatsen (ook in Nederland) gevonden dan de ertsen die nodig zijn voor brons. IJzeren gereedschap lag daardoor binnen ieders bereik. De gestegen vraag naar ijzer leidde niet alleen tot de achteruitgang van de bronsindustrie, maar ook tot de opkomst van nieuwe machthebbers.
De intrede van het ijzer betekende meer dan alleen een uitbreiding van de technische kennis. Ze luidde een nieuw tijdvak in van economische, culturele en sociale veranderingen.
Een andere grondstof die aan deze veranderingen bijdroeg was zout. Zout diende als conserveermiddel van o.a. vlees en vis en als smaakstof. Het moest vaak door handel verkregen worden.
In Nederland werd
zout
gewonnen langs de Noordzeekust.
Het is zeer waarschijnlijk dat men via dezelfde contacten waardoor de kennis van het ijzerbewerken in ons land kwam, kennis nam van nieuwe landbouwmethoden en -gewassen.
Al in de Vroege IJzertijd (800-500 vC) vonden kleine veenontginningen en ontwatering van de erven plaats en er zijn aanwijzingen voor systematisch grondgebruik in de vorm van regelmatige kleine vierkante akkers, de Celtic Fields.